Musica Divina 2026 – Interview met Noah Senden

Noah Senden studeerde compositie bij Wim Henderickx aan het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen. Die heeft een diepe impact op hem gehad, niet alleen op muzikaal vlak, maar ook als mens. Tijdens zijn studie kreeg hij ook les van onder meer Bram Van Camp en Mathias Coppens.

Een andere bepalende ervaring was zijn Erasmusperiode aan de Estonian Academy of Music and Theatre in Tallinn. Daar studeerde hij bij Tõnu Kõrvits en kwam hij voor het eerst echt in contact met de Baltische koortraditie. Die periode verruimde zijn blik op klank, eenvoud en spiritualiteit in muziek en speelde een belangrijke rol in de vorming van zijn artistieke identiteit.

Musica Divina staat voor hemelse muziek op hemelse locaties en de helende werking van muziek. Wat betekent dat helende aspect voor jou?

Voor mij betekent het helende aspect van muziek vooral dat ze ruimte kan creëren. Een plek waar de tijd even lijkt te vertragen en waar je loskomt van de constante stroom aan prikkels.

Heling zit voor mij niet in het mooier maken van de werkelijkheid of in het opleggen van iets geruststellends. Het zit eerder in het toelaten van kwetsbaarheid. Muziek kan een ruimte openen waarin emoties en gedachten gewoon mogen bestaan, zonder dat ze meteen verklaard of opgelost moeten worden.

Wanneer muzikanten en publiek samen luisteren, kan er iets bijzonders gebeuren: een moment van gedeelde aandacht. Er ontstaat een soort collectieve reflectie. Klank heeft de kracht om mensen even uit hun eigen hoofd te halen en opnieuw met elkaar in verbinding te brengen.

Hoe uit waarheid zich, of in extenso, hoe uiten momenten van waarheid zich in jouw muziek?

Voor mij begint waarheid in muziek vaak bij iets heel kleins. Een kort motief, een simpele beweging, iets dat meteen vertrouwd aanvoelt, maar ook iets opent dat je nog nooit gehoord hebt. Het zijn die kleine bouwstenen die een werk dragen en tegelijk een gevoel van herkenning én verrassing oproepen.

Filosofen zoals Plato of Aristoteles dachten dat muziek een universele orde of waarheid kan laten horen. Voor mij gaat het niet om een boodschap die je kunt lezen of uitleggen, maar om momenten waarin iets essentieels ineens hoorbaar wordt. De Duitse filosoof Heidegger noemt dat aletheia: het onthullen van waarheid. In muziek kan dat een plotseling moment zijn dat je voelt, dat je raakt, zonder dat je het helemaal kunt grijpen. Het is geen idee dat je meekrijgt, maar een ervaring die zich ontvouwt. Een klein en puur punt van waarheid.

Hoe verloopt jouw creatieve proces?

Concept neemt een prominente rol in mijn creatieve proces in. Pas in een latere fase wordt het concreet aan de schrijftafel. Dan kan het soms snel gaan. Ik wil graag starten vanuit een simpel buitenmuzikaal idee: een gesproken of gezongen tekst, een maatschappelijk thema, een verhaal, een beweging, de kwaliteiten van water of de perceptie van tijd.

Ik denk zo in mijn muziek eigenlijk een beetje dramaturgisch. Muziek is op zichzelf beweging, maar ook een taal. Je kunt er iets mee uitbeelden en iets voelbaar maken, zonder dat je het volledig moet verwoorden.

Koormuziek is een essentieel onderdeel van jouw werk. Componeer je anders voor koor dan voor instrumentale ensembles?

De stem is waarschijnlijk de meest menselijke vorm van muziek maken. Ze komt letterlijk uit het lichaam: uit adem, resonantie en taal. Wanneer je voor koor schrijft, werk je dus met iets dat heel fysiek en direct is.

Voor mij is er daarom een groot verschil tussen schrijven voor koor en schrijven voor instrumenten. Het zijn bijna twee verschillende disciplines. De laatste jaren heb ik meer voor koor kunnen schrijven, en dat heeft ook mijn instrumentale muziek veranderd. Bij het schrijven voor instrumenten zijn de mogelijkheden bijna onbeperkt: klankkleuren, texturen, virtuositeit en extreme dynamieken. Maar misschien is het net daarom dat ik zo graag blijf terugkeren naar het koor. Telkens wanneer ik voor zang schrijf, voelt het een beetje alsof ik terugkeer naar de oorsprong van muziek.

Tegelijk kan ik het schrijven voor instrumenten absoluut niet loslaten. De muzikanten zijn het medium waarmee ik mijn boodschap naar het publiek breng. Soms voelt schrijven voor koor als werken met waterverf: transparant, direct en organisch. Instrumenten zijn eerder olieverf: rijker, gelaagder en preciezer. Maar in beide gevallen probeer ik eigenlijk hetzelfde te doen: mijn innerlijke idee zo helder mogelijk hoorbaar maken.

Hoe ga je om met tekst? Welke teksten heb je zoal gebruikt?

Tekst kan voor mij een heel sterke motor zijn binnen een muzikaal concept. Het is een soort buitenmuzikale impuls: een beeld, een gedachte of een emotie die meteen een richting geeft. Wat mij vooral fascineert, is hoe muziek een extra laag kan toevoegen aan de poëtische kracht van een tekst, waardoor woorden niet alleen gehoord worden, maar ook echt gevoeld.

Dat geldt zowel voor muziektheater als voor koormuziek. In het verleden heb ik bijvoorbeeld samengewerkt met Clara Cleymans en Johannes Wirix-Speetjens aan verschillende muziektheaterprojecten. In zo’n proces wordt tekst vaak de rode draad die voortdurend in dialoog gaat met de muziek.

Voor sommige koorwerken schreef mijn vriendin Lieze Denckens de teksten. We kennen elkaar zo goed dat dat schrijfproces heel natuurlijk verloopt, en dat voel je uiteindelijk ook in de muziek.

Ik werk graag met heel uiteenlopende teksten. Het belangrijkste voor mij is dat er ruimte ontstaat waarin muziek een extra laag kan toevoegen en de kracht van de tekst kan verdiepen.

We worden anno 2026 omringd door verschillende soorten muziek, genres en contexten. Hoe ga je daar als componist mee om?

Ik zie die veelheid eigenlijk als een enorme rijkdom. Anno 2026 kun je je als beginnend componist bijna niet meer vastzetten op één enkele handtekening, en eerlijk gezegd wil en kan ik dat ook niet. Ik hou ervan om geprikkeld te worden door verschillende soorten opdrachten en contexten. Mijn passie blijft natuurlijk bij het schrijven voor de klassieke concertzaal, maar ik voel me net zo goed aangetrokken tot muziektheater, film, games of podcasts.

Tegelijk blijf ik zoeken naar een heel persoonlijke hedendaagse taal. Het mooiste moment is wanneer iemand na een première zegt: “Dat klonk echt als Noah.” Zelfs, of misschien juist, wanneer ik zelf het gevoel had dat ik iets totaal nieuws aan het proberen was. Voor mij zit de echte uitdaging erin om het publiek te blijven prikkelen, zonder het contact te verliezen.

Je hebt een periode in Tallinn gewoond. Hoe heeft die periode jou beïnvloed als componist?

Mijn ervaringen in Estland waren vooral gericht op compositie, en die periode heeft mijn muzikale blik enorm verruimd. Ik studeerde er bij Tõnu Kõrvits, die toen al een van mijn grote voorbeelden was. Hij gaf me de kans om volledig ondergedompeld te worden in een cultuur waarin muziek en koorzang vanzelfsprekend zijn.

Estland is echt een koorland: overal wordt gezongen, van koren bij de brandweer tot het massale Laulupidu, waar maar liefst 32.000 zangers samenkomen. Ik was er live bij en werd volledig omvergeblazen door de kracht van al die stemmen.

Een bijzonder moment dat ik nooit zal vergeten, is dat Tõnu Kõrvits me op een avond voorstelde aan Arvo Pärt, met wie ik kort kon spreken. Die ontmoeting maakte een diepe indruk en inspireerde me zozeer dat ik na mijn terugkeer in Antwerpen mijn masterthesis aan zijn werk heb gewijd.

In welke mate is de Europese spirituele minimalistische traditie een inspiratie voor jou?

De Europese spirituele minimalistische traditie spreekt mij aan omdat ze laat zien hoe krachtig eenvoud kan zijn. Tijdens mijn onderzoek naar Arvo Pärt ben ik daar sterk door geraakt. Tegelijk merkte ik al snel dat het geen stijl is die je zomaar kunt overnemen.

Pärt zegt zelf dat de essentie van tintinnabuli overeenkomt met ademen, maar dat het vatten ervan jaren van rijping vergt. Wat mij vooral inspireert, is hoe deze traditie eenvoud nooit oppervlakkig maakt. Integendeel, achter die eenvoud schuilt vaak een enorme concentratie en aandacht voor detail.

Door een opdracht te geven waarbij een werk aanpasbaar is aan verschillende contexten en ensembles, probeert Musica Divina opnieuw aan te sluiten bij hoe muziek vóór de negentiende eeuw werd beschouwd. Hoe zal je die opdracht aanpakken? Wat zijn de grootste uitdagingen?

Voor deze opdracht wil ik eigenlijk een soort kern creëren die altijd herkenbaar blijft, maar bij elke uitvoering op een andere manier tot leven komt. Net zoals Arvo Pärt dat doet met Fratres: hetzelfde materiaal, maar het klinkt elke keer anders, afhankelijk van de ruimte, het ensemble en de individuele stemmen of instrumenten.

Dat is ook het spannende eraan. Je hebt een vast ‘punt van waarheid’, iets dat nooit verdwijnt, maar binnen die kern is er ruimte om te spelen, te ontdekken en te reageren op wat eigen is aan het ensemble.